Introductie


“Diep in mijn hart kan ik niet boos zijn op jou”, “Oh Johnny, zing een liedje voor mij alleen”, “Ik zie de haven al, de lichtjes flonkeren van verre”…

De woorden van deze liedjes worden door oud én jong moeiteloos meegezongen. En is de tekst niet helemaal bekend, dan zitten de melodieën wel ergens in het geheugen gegrift, want iedereen heeft ze wel eens gehoord.

Die liedjes zijn gemaakt door Jaap Valkhoff (1910-1992).

1913
Jaap met zijn eerste harmonica op drie-jarige leeftijd

Jacobus Valkhoff werd op 16 augustus 1910 in de Hendrikstraat te Rotterdam geboren. Japie was de middelste telg uit een gezin van vijf kinderen uit Crooswijk, of zoals hij zelf zei: “Een jongen uit de heffe des volks.”

Vader Arie Valkhoff, een meubelmaker, en zelf een enthousiast muziekbeoefenaar op accordeon en orgel, ontdekte al vroeg dat Japie gevoel voor muziek had en gaf hem zijn eerste harmonica. In een mum van tijd leerde hij zichzelf er op spelen. Hij was toen pas drie jaar oud.
In de jaren die volgden ontwikkelde hij zich razendsnel, Japie groeide op en de accordeons werden groter. Naar zijn voorbeeld maakten ook zussen Marie en Jopie en broertje Arie zich het accordeonspel eigen. Met de opkomst van het verenigingsleven rond de eeuwwisseling ontstonden talrijke accordeonverenigingen in Rotterdam. Japie en oudste zuster Marie werden lid van ‘Kunst en Vermaak’. Als bolleboos van de vereniging speelde Japie een solo in de concertzaal van het oude Doele-gebouw aan de Coolsingel. Een jongetje van zeven jaar op een toneel zo groot “dat je er met een paard en wagen kon rondrijden.”

1921
1921: ‘De Vier Valkhoffs’: Arie, Jo, Jaap en Marie

In die jaren werd er met de kleine harmonicaspeler al aardig geld verdiend. Japie verdiende met een enkele avond accordeonspelen, waar een gewone arbeider een hele week voor moest werken.
Met zuster Marie speelde hij op bruiloften en partijen, later ook met andere muzikanten. Hij groeide op in het muzikantenleven, en leerde dat het hard werken was. Van Hellevoetsluis tot Maastricht was het zeulen met de accordeon, de mensen vermaken, en laat naar bed. De meester op de lagere school had er wel begrip voor: “Op maandagmorgen zat ik vaak met half ontloken ogen zo’n beetje te kijken wat er ging gebeuren in de klas. Ik viel soms wel eens half in slaap en dan zei Meester Lichthart: "Zo Japie, ben je weer naar een feestje geweest?”

Toch duurde het lang voordat Jaap beroepsmuzikant werd. “Artiesten zijn allemaal slechte mensen”, zeiden vader en moeder Valkhoff. Zo werkte Jaap tot aan zijn zeventiende jaar o.a. in een kledingmagazijn, in de chocoladefabriek, als koperslager, melkboer, slager.

1927promo
In 1927 werd Jaap beroepsmusicus

In 1927 kreeg Jaap zijn eerste engagement in dancing Alcazar op de Schiedamsedijk, het vermaarde uitgaanscentrum in vooroorlogs Rotterdam. Het was in die tijd dat de Amsterdamse accordeonvirtuoos Johnny Meijer hem zag spelen: “God-oh-god-oh-god, die enige man met dat magere koppie. Een swinger. Die speelde toen al van die moderne nootjes d’r tussendoor. God-oh-god-oh-god, wat een muzikant!”

‘Jazz’ was de rage, en Jaap leerde zichzelf tenorsaxofoon spelen. Zo werd hij met twee instrumenten een welkome gast in tal van orkesten. Het orkest van klarinettist Piet Sijpesteijn kreeg een aantal engagementen aangeboden in Tsjecho-Slowakije; zowel Jaap als broer Arie werden gecontracteerd. Met het ensemble van de danseres Isabel Otero, een topattractie die in alle grote theaters van Europa had gestaan, reisde Jaap door Duitsland en Zweden.

1927
The Three Hawkcourts in 1927: Jaap, Jo en Arie

Met Arie en zus Jopie vormde Jaap jarenlang het accordeontrio ‘The Three Hawkcourts’. Zij kregen een contract voor de Tuschinsky theaters, en werden een bekende naam in het variétécircuit, door geheel Nederland, tot in Duitsland toe. Hun succes zorgde voor een aantal optredens voor de AVRO-radiomicrofoon, als entre-acte van het orkest van Kovacs Lajos.
De Hawkcourts stonden een lange periode, met slagwerker Frans Beekmans, in Dancing Cosmopoliet in Rotterdam. ‘De Jazzwereld’ uit oktober 1934 vermeldde: “Het is misschien niet 100% ‘jazzophieling’, maar zoals de drie Hawkcourts in de dancing Cosmopoliet in Rotterdam met de harmonica musiceren, wordt het oor aangenaam gestreeld. Old favourites, new hits, op het kleine podium ter afwisseling van de band. Jaap Valkhoff is een refreinzanger van meer dan middelmatige bekwaamheid. Warm, gevoelig is zijn stem en bij uitstek geschikt om dansmuziek te vertolken. Go and hear them.” Het trio was, met enkele onderbrekingen, actief tot 1935.

Jaap leerde in 1932 Elisabeth Anna Maria (Bep) de Pijper (1912-2005) kennen, en trouwde met haar in 1934. Een huwelijk dat 57 jaar, tot aan zijn overlijden, zou standhouden. Jaap beschreef het begin van hun ontmoeting in de ‘Cos’ als volgt: “Ik dacht: Wat een leuk ding. En ik maakte een afspraakje met haar vanaf het podium, een seintje zo van 'even wachten'. Maar ja, ik sta daar op een podium van die hoogte te spelen, dus ze dacht: "Wat een flinke bink is dat", weet je wel. Ik kwam na afloop naar buiten, toen dacht ze: "Wat een klein rot ventje zeg!”
Jaap en Bep kregen vijf zoons: Arie (1936), Henk (1939-1984), Jaap (1946-2006), Ben (1951) en Martin (1956).

1937
Jaap en Bep met hun zoon Arie in Amsterdam, 1937

In de jaren die volgden nam Jaap in toenemende mate de tenorsaxofoon ter hand. Als accordeonist staat hij echter te boek als de eerste Nederlander die swingt op de grammofoonplaat. Dat was in 1937 voor het Decca-label met Secco’s Gitanos, onder leiding van de uit Duitsland gevluchte Joodse violist Hans ‘Secco’ Seligsohn. Naast een aantal Zuid-Amerikaanse tango’s, waarin Jaap’s accordeon een voorname rol vervulde, werden ook enkele, voor die tijd modern klinkende, swingnummers opgenomen als ‘The Sheik of Araby’, ‘Three little words’ en ‘Mama don’t allow it’.

In de loop van 1941 begon Jaap zelf liedjes te componeren. Het eerste nummer was ‘Een melodie met een heel klein beetje rhythme’. Enkele van zijn liedjes uit die tijd zouden uitgroeien tot Nederlandse evergreens, zoals ‘Diep in mijn hart’, ‘Denk jij nog aan die tijd’, en ‘Ik ben verliefd op een keukenmeid’.
Vanwege het verbod van de Duitse bezetter op Engelstalig jazz- en swingrepertoire vonden de nieuwe Nederlandse liedjes hun weg naar de bekende orkestleiders en werden op de radio ten gehore gebracht door de grote dansorkesten van Ernst van ’t Hoff, Dick Willebrandts en Theo Uden Masman’s Ramblers. De behoefte aan amusement was in de oorlogsjaren enorm groot, wist Eddy Christiani voortreffelijk te verklaren: “Ze kenden de orkesten van de radio en als dan de herkenningsmelodie klonk en langzaam het gordijn opengleed, dan zat daar dat beroemde orkest en dan ging er een gejuich op uit de zaal en dan vergaten ze de broodbonnen, de houten fietsbanden, de kleizeep, de onverwarmde jongenskamers, de verboden padvinderij, de verboden AJC, de zesmaal gelapte schoenen, de Duitsers en de hele rottroep - daar zagen ze hun radiohelden in witte bandjasjes, met schuiftrombones en schettertrompetten en filmsnorren en een razende drummer en muziekstandaards met glitterletters en microfoons en een geweldige ravenzwarte meid in een showjurk met decolleté die in een zachtrode spotlight 'Diep in mijn hart zong'. Show!”

Jaap’s voorliefde voor de Amerikaanse swingmuziek bracht hem wel eens in de problemen: “Ik zat met het orkest van Piet van Dijk in Den Haag, en ik had een nummer gecomponeerd, ‘Rosalinde’, wat we vaak speelden. Een vlotte foxtrot, en daar zat een tussenstuk in wat swingde als een bezetene. Op een gegeven moment word ik ontboden bij de Kultuurkamer. Dat nummer mocht niet meer gespeeld worden, want het klonk te negroidisch!”

1943
Jaap (rechts) met Boyd Bachman in diens revue uit 1943

Als muzikaal leider werd Jaap in 1943 ingelijfd bij het orkest van de Deen Boyd Bachmann. Met diens revue verwierf hij zich landelijke bekendheid, niet in de laatste plaats door zijn optreden als (droog)komiek naast de extravagante Bachmann. In ‘Cinema en Theater’ uit mei 1943 werd zijn rol als volgt beschreven: “Over Boyd zelf en Conny Stuart behoef ik niets meer te zeggen; de heer van Zegwaard is degene, die de vaak ondankbare taak van Boyd’s en Conny’s tegenspeler heeft te vervullen, wanneer Boyd zich niet bezighoudt met zijn orkest, met zijn eigen of zijn aangeplakte snor, of met zijn componist-saxofonist-accordeonist Jaap Valkhoff, die de tweede komiek van het gezelschap is en om wie – hij vergeve mij mijn vermoeden - de zegswijze ‘als hij gewoon doet, doet hij al gek genoeg’ uitgevonden schijnt te zijn. Want hij is een clown, die het zonder schmink en verf stellen kan…”

1948
Het VARA radio-orkest Accordeola met zang van Eddy Christiani. Uiterst rechts Jaap.

De VARA formeerde in 1948 het radiodansorkest ‘Accordeola’ met de drie accordeonisten Jan Gorissen, Johnny Holshuijsen, en Jaap Valkhoff. De VARA organiseerde opnames met publiek en de zalen zaten steevast vol, er werd ook thuis goed naar geluisterd, op zaterdagavond tussen negen uur en half tien. Naast het radiowerk en de optredens in het land was de grammofoonplaatverkoop van Accordeola ongekend groot voor die tijd. De populaire Eddy Christiani en Max van Praag zongen de ene schlager na de andere: ‘Op de woelige baren’, ‘Signorita Estrallita’, ‘Maria van Bahia’, ‘Als ik tweemaal met mijn fietsbel bel’, ‘Daar zijn de appeltjes van oranje weer’, en ‘Houdt de dief!’, een liedje van Jaap en zijn vaste tekstschrijver in die tijd, Hans Ruf jr.

1948roma
Jaap in bar ‘Roma’ in Amsterdam, 1948

Hans Ruf - echte naam Sternsdorff - leerde Jaap aan het einde van de oorlog kennen. Hans Sternsdorff werd een vriend voor het leven. Zij hadden een ruim twintig jaar durende samenwerking, die successen voortbracht als ‘Thea’, ‘Langs de Maas’, ‘Dat kan alleen in Rotterdam’ en het Jordaan-repertoire van Tante Leen met ‘Hand in hand’, ‘Niemand als jij’ en het grootste Jordaansucces aller tijden ‘Oh Johnny’. Eerste oplage 100.000 stuks, verkocht in 28 landen.
Het componeren was een ontspannen bezigheid herinnerde Hans zich: “We lagen elkaar erg goed, Jaap en ik mochten elkaar erg graag. En hoe die liedjes tot stand kwamen. Zoals in Amsterdam, aan een keukentafeltje. Er werd veel aan keukentafeltjes geschreven. En het gebeurde maar zelden dat we uren met een nummer bezig waren.”

1955
Promotiefoto ten tijde van bar ‘Taboe’ in Rotterdam, 1955

Halverwege de jaren vijftig vestigde Jaap zich – na een kleine twintig jaar - weer in Rotterdam, waar hij o.a. met zijn broer Arie, een aantal cafés dreef. Oud-Rotterdammers herinneren zich de Taboe, de Horlepiep en de legendarische Oase. Daar ontstond de feestkraker ‘Japie de portier’, gezongen door portier Jaap Plugers, als zanger bekend geworden als Jacky van Dam. Van Dam nam één van Jaap’s grootste successen op: ‘Hand in hand kameraden’, geschreven naar aanleiding van de eerste Europese overwinningen van voetbalclub Feyenoord begin jaren zestig.

Als zijn onnozele alter-ego Slome Japie scoorde Jaap een top 40 hit: ‘Ik heb mijn hart op Katendrecht verloren’, met een tekst van Drs. P. op een oud Duits lied. Hoewel er geen onvertogen woord in voor kwam, werd de plaat in Hilversum geboycot. Slome Japie had desondanks enorm veel succes met zijn pikante en schuine liedjes, ontstaan uit het cabaretrepertoire wat hij jarenlang in cafés en bars had opgebouwd: “De grootste giller is, bij wie heeft Slome Japie het meeste succes? Bij de ‘geestelijke elite’. Op studentenbijeenkomsten bijvoorbeeld was het altijd een succes.” De plaatjes van Slome Japie werden uitgebracht op het nieuwe OJEE-label van producent Johnny Hoes. Deze wist dankzij de smartlappen van de Zangeres Zonder Naam en de ondeugende liedjes van Slome Japie, Dikke Leo en Zwarte Lola een klein imperium op te bouwen in het Limburgse Weert. In Hilversum werd dit ‘volkse’ repertoire totaal genegeerd, maar de platenverkopen waren gigantisch; het publiek was razend enthousiast.

Halverwege jaren zestig begon het werken in een nachtbar zijn tol te eisen. In een periode van tien jaar Oase-bar had Jaap slechts éénmaal een vakantie van zeventien dagen gehad. Jaap was doodmoe en had genoeg van het nachtleven en de horeca.

Zijn vertrek uit de Oase leidde tot een breuk met Arie. De voor Jaap onbevredigende financiële afwikkeling van de zakelijke scheiding, en een aantal dramatische incidenten deed de verhouding verder bekoelen. Kort daarna werd het kontakt tussen de broers definitief verbroken.

1969
Jaap in zijn laatste bar ‘Horlepiep’ eind jaren zestig

Na dit dieptepunt in zijn leven kreeg Jaap het verzoek van accordeontrio The Three Jacksons om de zieke Piet Koopmans te vervangen. Met dit Rotterdamse trio reisde hij naar Amerika, deed TV-optredens en nam een aantal platen op.

1970
The Three Jacksons: Jaap Valkhoff, Harry van de Velde en Piet van Gorp

Naast zijn deelname aan de Jacksons werkte Jaap enige tijd samen met de muziekproducent Tony Dirne. Tal van albums werden opgenomen in diens geluidsstudio in Breda, waarvan o.a. een instrumentale tangoplaat nog steeds op CD verkrijgbaar is.
Voor de muzikale leiding van de grammofoonplaat ‘Remember Holland’, in opdracht van het VVV, ontving Jaap een gouden plaat in 1974.

In de laatste jaren van zijn leven woonde Jaap met vrouw Bep in de nieuwe wijk Woudhoek in Schiedam, en tijdens de zomermaanden in zijn vakantiehuisje in Hoek van Holland, waar hij een rustig leven leidde. Van tijd tot tijd in het zonnetje gezet als ‘aartsvader van het Rotterdamse lied’, want inmiddels was hij een levende legende geworden. Er was toenemende aandacht voor Jaap in de vorm van interviews, verzoeken om in jury’s voor talentenjachten plaats te nemen, en zo nu en dan een optreden voor radio en TV.

1992
Jaap tijdens zijn 70-jarig jubileum als artiest, januari 1992

Op 30 januari 1992 werd hij, tijdens de feestelijkheden van zijn 70-jarig artiestenjubileum, door de Rotterdamse loco-burgemeester P.O. Vermeulen met de Erasmusspeld onderscheiden voor zijn verdiensten voor de stad.

In die zomer werd Jaap in Hoek van Holland tijdens het fietsen aangereden. Hij overleed op 3 juli 1992 aan de gevolgen van het ongeluk op 81-jarige leeftijd.

© 2016 Erven Jaap Valkhoff Contact